Aardbeienplant

We zitten aan de ontbijttafel en ze kauwt op haar croissantje. We hebben het net over de zon en de aarde gehad. Ik heb uitgelegd dat de zon inderdaad heel erg heet is maar dat de aarde niet zomaar kan ontploffen, zoals een klasgenootje vorige week beweerde.

Dan vraagt ze ineens:
‘Maar waar staat die fabriek dan?’
‘Welke fabriek?’
‘Waar alles is gemaakt. De aarde en de planeten enzo.’

Ik zie rokende schoorstenen voor me, een reusachtige lopende band waar een planetaire ring vanaf komt rollen. En een mal van levensecht formaat, waarin de aarde wordt gegoten. En dan denk ik aan Kuhn. Binnen een paar tellen realiseer ik me dat mijn antwoord – wat ik ook zeg – haar paradigma zal verschuiven. Terwijl ze niet eens weet dat ze een paradigma heeft.

‘Nou, de aarde en de planeten komen niet uit een fabriek. Want de wereld is niet door iemand gemaakt. Alles is er gewoon.’

Ik zeg tegen mezelf dat dat helemaal niet gewoon is. Ik kijk naar haar, terwijl ik in haar hoofd haar wereldbeeld zie verschuiven. Ze knikt, alsof ze het begrijpt.

Dan voeg ik eraan toe: ‘Kijk maar naar de aardbeienplanten in de tuin. Daar zitten straks ineens aardbeien aan. Die groeien zelf. Zo is het met alles.’

Maar waarom alles er dan is, de evolutietheorie, de big bang, het atheïsme, spiritualiteit, religie – ik laat het allemaal terzijde. Want ze is vijf jaar en ze moet zo naar school.

En dan denk ik aan Darwin. Hoe legde hij dit eigenlijk in godsnaam uit aan zijn kinderen?

Comments are closed.